
‘Als ik dood ben, wie zorgt er dan voor mijn kind?’
Leestijd: 3 minutenHoe onterving kan doorwerken in de familieverhoudingen en in volgende generaties zie je niet alleen in gezinnen waar een conflict is tussen ouders en kinderen, maar ook regelmatig als een van de kinderen een zorgenkind is. Ouders met een gehandicapt kind bijvoorbeeld kennen vaak een heel grote angst: ‘als ik dood ben, wie zorgt er dan voor mijn kind?’ Vanuit die angst en de allesbepalende zorg voor dat kind besluiten ouders soms om hun andere kinderen te onterven. Omdat zij al ‘genoeg’ inkomen hebben, dus voor zichzelf kunnen zorgen. Dat heeft ontzettend veel impact op het onterfde kind en daarmee op de volgende generatie. Het verhaal van Laura en Feline is hier een pijnlijk voorbeeld van.
Laura is meervoudig gehandicapt geboren. Twee jaar later kwam Feline, een vrolijk en energiek meisje: het zonnetje in huis. Laura werd op vierjarige leeftijd naar een instituut in Nijmegen gebracht, waar ze nog steeds woont, inmiddels is ze in de veertig. Hoewel Feline als enige kind thuis woonde, ging alle aandacht altijd naar Laura. Haar ouders gingen ieder weekend naar Nijmegen, en ‘s zomers naar Zwitserland, waar ook een hotel was voor gehandicapte kinderen. Ze leefden helemaal voor Laura.
Feline trouwde met Robert, een vermogende man. Ze verhuisden naar Zuid-Afrika, waar ze twee zoontjes kregen. Ook al was oma – inmiddels weduwe – blij met haar kleinkinderen, in de ogen van Feline schoot zij tekort: ze leefde niet mee en vergat bijvoorbeeld verjaardagen. Haar interesse leek nog steeds vooral bij Laura te liggen. Moeder vroeg regelmatig aan Feline of zij voor haar zus zou willen zorgen als zij er niet meer zou zijn. Het antwoord van Feline was steevast: ‘Nee, ze heeft genoeg zorg gehad. En ik heb er de ruimte niet voor.’
Moeder had vermogen vanuit haar familie. In haar testament bepaalde zij dat haar hele erfenis naar het instituut zou gaan, met een clausule dat Laura haar hele leven daar kon blijven wonen en verzorgd zou worden. ‘Laura heeft ons nodig, ook als ik er niet meer ben, Feline niet, die heeft het goed’, was het idee. Feline was zo verschrikkelijk getroffen door haar onterving. Ze wilde niets meer met Laura te maken hebben en kwam in een diepe depressie terecht. Ze voelde de pijn weggeschreven te zijn uit het familieverhaal.
Haar legitieme portie eiste Feline niet op: het ging haar niet om het geld, maar om erkenning als kind. Haar hele leven had Feline alleen maar gehoord: ‘Je hebt ons niet nodig. Jij redt het wel. Jij kunt alles. Vergeleken bij Laura. En dan bof je nog met een man die vermogend is. En met twee zonen.’ Maar daardoor is wie zij was en wat zij betekende nooit erkend. Door de onterving werd ze wéér niet gezien en wilde ze niets meer voor haar zus betekenen. Bovendien groeien haar zoontjes op met het verdriet van hun moeder, die niets voor haar gehandicapte zus wil betekenen en geen goed woord over heeft voor hun grootouders.
Wat je ook vindt als ouders, vermogend of niet: ieder kind heeft dezelfde rechten. Met een onterving valt de betekenis in de familie weg voor het onterfde kind. Je blokkeert de betekenis uit het verleden, maar ook voor de toekomst. ‘Je hoeft niks, je bent uitgeschreven.’ Dit tekent de hele familie, generaties lang.



