
Meerderheid Nederlanders wil hogere erfbelasting, blijkt uit CPB-onderzoek
Leestijd: 8 minutenErfbelasting geldt als een van de meest impopulaire belastingen die Nederland kent – zo luidt althans het gangbare beeld. Uit een nieuw onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB), gepubliceerd op 7 juli 2026, blijkt dat beeld maar ten dele te kloppen. Een kleine minderheid wil de erfbelasting inderdaad volledig afschaffen. Maar meer dan de helft van de Nederlanders vindt juist dat erfenissen zwáárder belast mogen worden dan nu het geval is. En dwars door leeftijd en vermogen heen bestaat brede consensus: grote erfenissen mogen zwaarder worden belast dan kleine.
Het rapport Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders combineert twee soorten onderzoek. Het eerste deel brengt op basis van aangiftedata van de Belastingdienst in kaart hoeveel er in Nederland wordt nagelaten en geschonken, en hoe zwaar dat wordt belast. Het tweede deel duikt in de vraag hóe Nederlanders over erfbelasting denken, en welke opvattingen daaraan ten grondslag liggen, onder meer over ongelijkheid, verdiende versus onverdiende welvaart en vertrouwen in de politiek.
Wat er werkelijk wordt nagelaten
Om met de feiten te beginnen: in 2022, het meest recente jaar waarover volledige cijfers beschikbaar zijn inzake de erfbelasting, ontvingen 274.000 mensen samen 21,8 miljard euro aan erfenissen. Dit gaat alleen om erfenissen waarover aangifte is gedaan. Dat is ongeveer 35% van de erfenissen: over andere erfenissen wordt geen erfbelasting betaald, omdat deze geheel vrijgesteld zijn van erfbelasting.
Ongeveer de helft van de erfenissen waarvoor wel aangifte is gedaan, ging naar kinderen van de overledene, zo’n 12 procent naar de langstlevende partner (goed voor een kwart van het vermogen, door de doorgaans grotere bedragen) en bijna een kwart naar overige familie of derden. Daarnaast werd in 2022 voor 15,4 miljard euro aan schenkingen aangegeven, waarvan het grootste deel van ouder naar kind.
De gemiddelde belastingdruk over aangegeven erfenissen bedroeg 11 procent. Dit is een bovengrens, benadrukt het CPB, omdat erfenissen die volledig binnen de vrijstelling vallen vaak niet in beeld zijn en dus niet meetellen. Achter dat gemiddelde gaan grote verschillen schuil. Partners betalen door de ruime vrijstelling (in 2022 nog 680.000 euro, inmiddels ruim 8 ton) gemiddeld gezien nauwelijks belasting. Voor kinderen loopt de druk op van gemiddeld 3 procent bij erfenissen tot 50.000 euro naar zo’n 19 procent bij erfenissen boven de 8 ton. Voor erfgenamen zonder directe familieband kan dat oplopen tot gemiddeld 36 procent. Dit heeft te maken met het gegeven dat niet alleen het bedrag, maar ook de relatie tot de overledene bepaalt hoeveel belasting er wordt betaald. Dat wijkt af van hoe veel Nederlanders zelf denken dat het zou moeten werken, zo blijkt uit het tweede deel van het onderzoek.
Wat Nederlanders wenselijk vinden
Het CPB vroeg via een enquête welk tarief mensen redelijk vinden voor een erfenis van ouder op kind, bij drie bedragen: 10.000, 100.000 en 1 miljoen euro. Het ‘mediaan’ voorkeurstarief loopt op van 4 procent bij de kleinste erfenis, via 11 procent bij een ton, naar 25 procent bij een miljoen. Die progressieve lijn is precies het patroon dat de huidige wet ook kent.
- Daarbij koos meer dan de helft van de respondenten wel voor een tarief bóven het huidige percentage bij erfenissen van 100.000 euro en 1 miljoen euro.
- Ook vindt slechts 31% dat erfenissen van 10.000 euro vrijgesteld moeten zijn, wat nu door de hoogte van de vrijstelling van ruim 26 duizend euro het geval is.
Voor erfenissen van 1 miljoen daalt dat percentage naar 13%.
- En ongeveer 20 tot 25% van de mensen vindt dat erfenissen van 100.000 en van 1 miljoen euro wel belast zouden moeten worden, maar tegen een lager tarief dan het huidige tarief.
Of mensen geloven dat hogere belastingen leiden tot minder werken, sparen of investeren, blijkt nauwelijks samen te hangen met hun voorkeur voor een hoger of lager tarief. Efficiëntie-argumenten – waar economen vaak naar kijken – landen niet bij het brede publiek. Dat is in lijn met eerdere internationale literatuur die het CPB aanhaalt.
Wat wél sterk samenhangt met de voorkeur voor een hoger tarief: de mate waarin iemand economische ongelijkheid als oneerlijk beschouwt, het geloof dat succes vooral aan geluk (in plaats van hard werken) te danken is, en het vertrouwen in de politiek. Wie vindt dat de kloof tussen arm en rijk oneerlijk groot is, kiest bij een erfenis van een miljoen euro gemiddeld voor een tarief van 35 procent, tegen 20 procent bij wie dat verschil niet oneerlijk vindt. Eigenbelang – bijvoorbeeld het feit dat iemand zelf een schenking heeft gedaan of een erfenis heeft ontvangen – speelt in de cijfers van het CPB juist geen zelfstandige rol meer zodra voor deze opvattingen wordt gecorrigeerd.
Interessant is ook dat leeftijd en vermogen een rol spelen:
- De voorkeurstarieven zijn bij grotere erfenissen hoger vanaf een leeftijd van zestig jaar. Voor erfenissen van 100.000 loopt het gemiddeld voorkeurstarief bij 80-plussers op naar 25% en voor erfenissen van 1 miljoen naar ruim 40%.
- Het voorkeurstarief is iets lager bij mensen met een hoger vermogen en andersom.
- Vooral kinderen van ouders met een laag vermogen geven de voorkeur aan hogere belastingtarieven op alle erfenissen. Dat geldt het sterkst voor erfenissen van 1 miljoen euro.
- Maar ook kinderen van ouders uit de hoogste vermogensgroep hebben een voorkeur voor een hoger tarief dan de huidige tarieven. Dat verschil is wel minder groot dan voor kinderen uit lagere vermogensgroepen.
Onbekend maakt onbemind, maar hoe onbekend?
Een kanttekening die het CPB maakt: het onderzoek laat zien welk tarief mensen wenselijk vinden, maar niet hoe goed zij de daadwerkelijke tarieven, vrijstellingen en effectieve belastingdruk kennen. Uit ander onderzoek blijkt dat Nederlanders hun eigen inkomstenbelasting en belastingdruk vaak verkeerd inschatten; het is aannemelijk dat vergelijkbare misvattingen bestaan rond de erfbelasting, juist omdat het geen jaarlijks terugkerende heffing is. En uit experimenten in binnen- en buitenland blijkt dat opvattingen kunnen verschuiven zodra mensen beter geïnformeerd raken, bijvoorbeeld over hoe klein de groep is die daadwerkelijk fors wordt belast, of over de hoogte van bestaande vrijstellingen.
Opinieserie in Alles over Erven Magazine
Dit onderzoek sluit aan bij de opinieserie die we in het Alles over Erven magazine publiceren, waarin we uiteenlopende stemmen aan het woord laten over de vraag: is erfbelasting een boete op nalatenschappen of juist een van de eerlijkste belastingen die we kennen?
Fiscaal advocaat dr. Ineke Koele trapte de serie af met een principiële verdediging: voor haar is erfbelasting een van de weinige instrumenten om groeiende vermogensongelijkheid te beteugelen, en een van de minst verstorende belastingen die er zijn. Tegelijk is ze kritisch op de uitwerking — met name op hoe ruim de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) inmiddels is geworden, en op de lage vrijstelling voor partners, die volgens haar tot onnodig complexe testamenten leidt.
Econoom en VVD-politica Daphne Lodder pleitte juist vanuit liberaal oogpunt voor een hogere erfbelasting, gecombineerd met een lagere belasting op werk: wie geld nalaat heeft daar zelf weinig voor gedaan, terwijl werk en inzet volgens haar wél zouden moeten lonen. Dat opgepotte vermogen “voor de kinderen” draagt volgens haar niet bij aan kansengelijkheid, omdat het geld doorgaans landt bij mensen die het al niet meer nodig hebben.
Finfluencer Pelle van Essen koos een pragmatischer invalshoek. Hij ziet schenken tijdens het leven als een krachtiger instrument dan erven na overlijden, en is kritisch op hoe ongelijk de mogelijkheden zijn om belastingdruk te verlagen: wie veel vermogen heeft, weet de weg naar vrijstellingen en constructies vaak beter te vinden dan de middeninkomens die net proberen iets op te bouwen.
Het volledige CPB-rapport is hier te downloaden.
En wil je meer uitleg over de erfbelasting, lees dan Erfbelasting, alles wat je moet weten.

